We leven in een wereld waarin steeds vaker discussie bestaat over wat je wel en niet kunt zeggen over andere mensen. Steeds vaker wordt deze discussie ook in het strafrecht gevoerd: aangiften zijn aan de orde van de dag. Van groepsbelediging en aanzetten tot haat of geweld, maar ook van smaad en laster. Op een ander strafrechtelijk niveau gaat het zelfs over vermeende aanslagen van personen die het niet eens zijn met berichtgeving in de media. Reden voor ons om aandacht te besteden de vraag wat je wel en niet kunt zeggen. We doen dat in een aantal delen. Vandaag iets wat ons bijna allemaal weleens overkomt: belediging.

Een van de meest voorkomende “kleine” strafrechtelijke problemen is een verdenking van belediging. Mensen gaan zichzelf al snel te buiten aan het gebruik van scheldwoorden, maar de vraag is natuurlijk wanneer het de grens van het strafbare overschrijdt. Zoals altijd is het lastig om die vraag eenvoudig te beantwoorden, anders hadden wij advocaten immers al snel geen werk meer. Essentieel voor belediging is (1) opzet om (2) iemand te beledigen door (3a) een openbare mondelinge, schriftelijke of afgebeelde belediging, (3b) een mondelinge of feitelijke belediging in aanwezigheid van het slachtoffer of (3c) een toegezonden schriftelijke of afbeeldende belediging. Dat is dus een hele rits aan mogelijkheden om iemand te beledigen. Een korte toelichting op alle onderdelen:

1 (opzet)

Je moet het doel hebben of in ieder geval de reële kans aanvaarden dat je iemand zal beledigen. Als je bijvoorbeeld een scheldwoord naar iemand roept, neem je de kans voor lief dat iemand zich daardoor beledigd zal voelen.

2 (beledigen)

Je moet iemand kwetsen of in zijn eer of goede naam aantasten. Dat kan door uitingen die de waardigheid van een ander aantasten. Daarnaast is belangrijk of er sprake is van omstandigheden die de belediging van een bepaalde uiting wegnemen of juist omstandigheden die een niet-beledigende uiting wél beledigend maken.

Een voorbeeld van het eerste is de uitlating dat iemand aan een ernstige ziekte lijdt. Dat is in het algemeen een aantasting van de redelijke waardigheid. Dat wordt natuurlijk anders als een dokter dit slechte nieuws brengt in een serieus gesprek.

Een voorbeeld van het tweede is het inmiddels beroemde woord mierenneuker. Dit woord is eigenlijk niet beledigend omdat het volgens het woordenboek betekent dat iemand een perfectionist is. Als je dit woord echter naar een politieagent roept met de duidelijke intentie om zijn gezag te ondermijnen, dan wordt het wél weer een belediging. Het heeft overigens duizenden euro’s aan belastinggeld gekost om de Hoge Raad daarover in meerdere arresten een oordeel te laten vellen. Hetzelfde geldt voor woorden als jood en homo. En dan te bedenken dat de straf voor een dergelijke belediging rond de € 150,- ligt…

Belangrijk zijn dus de omstandigheden waaronder de uiting wordt gedaan. Daarbij speelt ook zeker de aanwezigheid van anderen mee.

3 (de aard van de uiting)

Voor drie verschillende situaties bestaan officieel drie categorieën van uitingen die als belediging vervolgd kunnen worden. Deze spreken redelijk voor zich, hoewel daarbij moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld een voicemail of een via de app verstuurde spraakopname worden gezien als mondelinge belediging in aanwezigheid van het slachtoffer.

Per saldo zijn er dus weinig mazen in de strafbaarstelling van belediging te vinden: anders dan je op internet weleens leest, zijn er geen specifieke woorden die je altijd ongestraft kunt zeggen. Het gaat namelijk niet alleen om het woord maar ook om de context en de intentie.

Bedenk in het licht daarvan maar eens hoe vaak je je schuldig hebt gemaakt aan belediging en besef je dan dat dit geen overtreding is maar een misdrijf, en dus altijd op je strafblad terechtkomt bij een veroordeling…